Jezus moet eindeloos veel splinters bij ons weghalen

In Mattheüs 7 waarschuwt Jezus ons voor oordelen. “Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet?”
Ziet u het plaatje? Een man loopt rond met een balk in zijn oog. Daardoor is hij zo blind dat hij zelfs de balk in zijn eigen oog niet ziet (vers 3). Maar hij is niet alleen blind, hij is ook dwaas. Want hij verbeeldt zich dat hij een splinter ziet in het oog van zijn broeder (vers 3). En die blindheid en dwaasheid samen maken hem tot een huichelaar (vers 5). Hij stapt naar zijn broeder en zegt: laat mij de splinter uit uw oog wegdoen (vers 4). Ziedaar, degene die oordeelt. Zo ziet God hem.

Wat dan? Is de situatie zo onmogelijk dat we die splinter bij de ander maar moeten laten zitten? Zoals een spreekwoord zegt: wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid bij een ander niet. Dat lijkt een humane houding, maar het getuigt niet van liefde. Iemand met een splinter in zijn oog maar aan zijn lot overlaten! Dat kan niet. Het is een christelijke opdracht om de splinter bij de ander weg te halen (vers 5).
Maar dan eerst de balk bij jezelf. Want wat is een balk?
Een balk is een grote hoeveelheid splinters. Of geestelijk gezegd: een splinter is een zonde, een balk is een grote verzameling daarvan.
Het volgen van de Here Jezus houdt in dat Hij eindeloos veel splinters bij ons moet weghalen. Dat gaat niet langs je heen. Steeds als je bij jezelf een splinter ontdekt, moet je daarmee naar hem toe gaan en dan haalt Hij hem weg. Daar ben je helemaal zelf bij betrokken. Dat neemt jaren in beslag. Dat doet je Jezus kennen in zijn geduld en liefde en genade en dat doet je jezelf kennen als het doelwit van zijn geduld, liefde en genade. Dat doet je de balk zien als het totaal van alle weggehaalde splinters. Je beseft in tranen dat die balk misschien nog wel groter zal worden. In die houding van verbrokenheid en deemoed ontmoet je je broeder en zie je de splinter. En je weet zo goed van de pijn die de splinter veroorzaakt. Daarom kan je niet nalaten naar hem toe te stappen en vol bewogenheid te zeggen: broeder, laat mij de splinter uit uw oog wegdoen.

Het is duidelijk dat de Here Jezus ons nadrukkelijk opdraagt de splinters bij anderen weg te nemen. “Doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien, om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen” (vers 5). Sterker nog, in het volgende vers zegt Hij ons dat we niet eindeloos door moeten gaan het evangelie te verkondigen, zonder te verwachten en eraan mee te helpen dat daardoor splinters worden weggenomen. Dat door de verkondiging van het evangelie mensen veranderen.
“Weest heilig want Ik, de Here ben heilig” (1 Petrus 1:16). Als het Evangelie – op de lange duur – de hoorders niet verandert, dan klinkt dat ernstige woord: “Geef het heilige niet aan de honden” (vers 6). Als mensen door het evangelie niet veranderen, kunnen ze op de lange duur ook geen waardering meer voor de boodschap opbrengen. Een hond waardeert het heilige niet.
“Werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en zich omkerende, u verscheuren” (vers 6). “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een kostbare parel” (vers 45,46). Maar een zwijn waardeert een parel niet. Er is voor hem geen voedsel in. Daarom vertrapt hij hem met zijn poten, keert zich om en verscheurt de ‘goede’ gever. Wat een verantwoording voor wie het evangelie verkondigt en voor wie het hoort. In de mate dat het evangelie ons verandert, in die mate zullen we God en zijn aanbod waarderen. Dan krijgen we zicht op de waarde van het heilige en de parel.
Daarom zijn de volgende verzen een aansporing om ernst met de zaak te maken; gevolgd door enorme beloften. “Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden” (vers 7). “Want een ieder die bidt, ontvangt en wie zoekt, vindt en wie klopt, hem zal opengedaan worden.”
Bidt, zoekt, klopt. Dat zijn drie werkwoorden, die in toenemende mate aangeven wat het aandeel van een christen is. Want er is altijd voortgang in het leven van een christen. Er is altijd meer en verlangen naar meer. Daarom: bidt, zoekt, klopt.

De Here Jezus verzekert met grote stelligheid: je ontvangt, vindt en wordt opengedaan. Hij put zich uit om over te brengen hoe zeker dat is. Hij raakt onze innerlijke gevoelens als Hij zegt: “Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven! Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven?" (vers 9 en 10).
God verlangt intens om het goede aan zijn kinderen te geven. Het probleem ligt niet bij God; die wil graag geven. Het probleem ligt bij ons, dat wij door ons ongeloof niet kunnen ontvangen. Daarom is ons bidden niet bedoeld om God bereid te maken. Ons bidden, zoeken en kloppen is bedoeld om daardoor zelf bereid te worden om in geloof te ontvangen. Want wie bidt ontvangt.
Jakobus zeg: ”Gij hebt niet, omdat gij niet bidt” (Jakobus 4:2). “Daarom, bidt, want God zal het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.”

In Lucas 11 vers 13 staat deze tekst precies zo, alleen staat daar in plaats van ‘het goede’: de Heilige Geest. Ik zou me kunnen voorstellen dat dit voor sommigen wat tegenvalt. Ze hadden misschien bij ‘het goede’ iets anders, iets beters verwacht. Maar laten we daar eens over nadenken.
Is er iets beters? Had God iets beters kunnen geven? Waren materiële dingen beter geweest? Dat wat je niet kunt meenemen? Of aards geluk? Dat wat tijdelijk is?
Toen God er over ‘nadacht’ ons het goede te geven, wist Hij dat dit niet anders kon zijn dan zijn Heilige Geest. Dat is Gods hoogste gave aan mensen.

Henk Binnendijk


Reacties